Uit de molen

Stoppen met transitie: detransitie, spijt en de weg terug

Hoe vaak komt detransitie voor, waarom zijn de cijfers over spijt zo onzeker en wat kun je lichamelijk nog terugdraaien? Wat onderzoek wel en niet zegt.

Redactie Gendermolen.nl
·
Gepubliceerd 8 oktober 2026
Illustratie bij: Stoppen met transitie: detransitie, spijt en de weg terug

Detransitie betekent dat iemand stopt met een transitie of die gedeeltelijk terugdraait. Het is het deel van de molen waar het minst over bekend is. Hoe vaak het voorkomt, weet niemand precies: de cijfers die je tegenkomt lopen uiteen van minder dan 1 procent tot tientallen procenten, en ze meten allemaal iets anders. In dit artikel lees je wat onderzoek wel en niet laat zien, waarom de getallen zo onzeker zijn, wat er lichamelijk terug te draaien valt en waar je terechtkunt als je twijfelt of wilt stoppen.

Wat is detransitie, en wat is het niet?

Over detransitie wordt vaak langs elkaar heen gepraat, omdat drie dingen door elkaar worden gebruikt. Ze overlappen, maar ze zijn niet hetzelfde.

  • Stoppen: je beëindigt een behandeling, bijvoorbeeld hormonen. Dat kan om allerlei redenen: bijwerkingen, kosten, een veranderde wens, of omdat je bereikt hebt wat je wilde.
  • Detransitie: je draait stappen van de transitie terug. Dat kan sociaal zijn (naam, voornaamwoorden, kleding), juridisch (geslachtsregistratie) of medisch (stoppen met hormonen, soms hersteloperaties).
  • Spijt: een gevoel over een eerdere beslissing. Je kunt spijt hebben zonder iets terug te draaien, en je kunt detransitioneren zonder spijt te hebben van de weg die je hebt afgelegd.

Dat onderscheid is niet academisch. Een onderzoek dat alleen telt wie na een operatie met spijt terugkomt bij de kliniek, meet iets heel anders dan een onderzoek dat telt wie na vier jaar geen hormonen meer ophaalt bij de apotheek. Beide getallen worden in het publieke debat het 'detransitiecijfer' genoemd. Wie cijfers wil begrijpen, moet dus eerst vragen: wat is hier precies geteld, bij wie, en hoe lang na de behandeling?

Op deze site beschrijven we de transgenderzorg als een reeks stappen die elkaar opvolgen. Detransitie hoort bij het laatste deel daarvan. Een overzicht van alles rond stoppen, spijt en nazorg vind je op de pagina Uit de molen.

Hoe vaak komt detransitie voor? Wat onderzoek laat zien

Het meest aangehaalde Nederlandse cijfer komt uit de Amsterdamse cohortstudie van Wiepjes en collega's (2018). Zij keken naar 6.793 mensen die tussen 1972 en 2015 de genderpoli van het VUmc bezochten. Van de mensen bij wie de geslachtsklieren operatief waren verwijderd, werd bij 0,6 procent van de transvrouwen en 0,3 procent van de transmannen spijt vastgesteld. In totaal ging het om veertien personen. Als reden noteerden de onderzoekers bij zeven van hen 'echte spijt', bij vijf problemen met sociale acceptatie en bij twee een non-binair gevoel.

Dat is een laag getal, en het wordt vaak gepresenteerd als hét spijtcijfer. Maar het is een cijfer over één specifieke groep (mensen die een gonadectomie hebben ondergaan) en één specifieke uitkomst (spijt die bij de eigen kliniek bekend werd). Het zegt niets over mensen die na een periode met hormonen zijn gestopt zonder operatie.

Een ander type onderzoek kijkt naar wie doorgaat met hormonen. Van der Loos en collega's (2022) volgden 720 Nederlandse jongeren die met puberteitsremmers waren begonnen en daarna hormonen kregen. Bij de laatste meting gebruikte 98 procent nog steeds hormonen, vastgesteld via recepten. Roberts en collega's (2022) vonden in de Amerikaanse militaire gezondheidszorg een heel ander beeld: van 952 jongeren en jongvolwassenen die met hormonen begonnen, haalde na vier jaar 70,2 procent ze nog op. Bijna drie op de tien waren dus gestopt, in elk geval binnen dat zorgsysteem. Waarom ze stopten, kon de studie niet vaststellen.

Een Britse studie van Hall en collega's (2021) nam de dossiers door van 175 mensen die in één jaar waren uitgeschreven bij een genderkliniek voor volwassenen. Twaalf van hen, 6,9 procent, voldeden aan de definitie van detransitie die de onderzoekers hanteerden. Daarnaast was ruim een vijfde uit beeld geraakt zonder dat duidelijk was hoe het met hen ging.

Vier studies, vier getallen: 0,3 tot 0,6 procent, 2 procent, 6,9 procent, bijna 30 procent. Ze spreken elkaar niet per se tegen. Ze meten verschillende dingen, in verschillende groepen, met verschillende zorgsystemen en over verschillende periodes. Meer over de Nederlandse doorstroomcijfers lees je in Van puberteitsremmers naar hormonen: waarom bijna iedereen doorgaat.

Waarom spijt- en detransitiecijfers zo onzeker zijn

Er zijn minstens vijf redenen waarom geen van deze cijfers als het definitieve antwoord kan gelden.

1. De follow-up is vaak te kort. In de Amsterdamse cohortstudie zat er gemiddeld 130 maanden, bijna elf jaar, tussen de start van de hormoonbehandeling en het moment waarop spijt bekend werd. Veel studies volgen mensen één of twee jaar. Wie zo kort meet, kan spijt die pas na tien jaar opkomt eenvoudig niet zien. De Cass Review (2024) wijst hier nadrukkelijk op: schattingen zijn moeilijk te maken omdat follow-up in de meeste studies kort is, terwijl er vermoedelijk vijf tot tien jaar nodig is om een betrouwbaar beeld te krijgen.

2. Veel mensen raken uit beeld. In het Amsterdamse cohort keerde ruim een derde van de behandelde mensen na verloop van tijd niet meer terug naar de kliniek. De onderzoekers weten niet hoe het met hen gaat. Als juist mensen met spijt wegblijven, valt het gemeten cijfer te laag uit. Het omgekeerde kan ook: wie tevreden is, heeft evenmin een reden om terug te komen. Het punt is dat je het niet weet.

3. Wie stopt, meldt dat zelden bij de behandelaar. Littman (2021) ondervroeg honderd mensen die waren gedetransitioneerd. Slechts 24 van hen hadden hun oorspronkelijke behandelaar daarover geïnformeerd. Een kliniek die spijt telt op basis van wie zich meldt, mist dus mogelijk het grootste deel.

4. De definities verschillen. Spijt na een operatie, stoppen met hormonen en terugkeren naar het geboortegeslacht zijn drie verschillende uitkomsten. Een laag spijtcijfer na operaties zegt weinig over hoeveel mensen eerder in het traject afhaken, en een hoog stopcijfer zegt weinig over spijt.

5. De groep van nu is een andere dan de groep van toen. De langlopende cijfers gaan grotendeels over volwassenen die decennia geleden na een lange beoordeling werden behandeld. De huidige aanmeldingen bestaan voor een veel groter deel uit tieners, vaak meisjes, die zich pas in de puberteit melden. Of oude cijfers voor hen gelden, is een open vraag. Omdat spijt gemiddeld pas na vele jaren zichtbaar wordt, is het antwoord er voorlopig niet.

Hoe moeilijk het is om dit recht te zetten, bleek in Engeland. De Cass Review wilde de gegevens van ongeveer 9.000 jongeren die bij de Tavistock-kliniek waren behandeld koppelen aan hun latere gegevens als volwassene. Dat onderzoek kon tijdens de looptijd van de review niet worden uitgevoerd, omdat de meeste genderklinieken voor volwassenen niet meewerkten. Ook in Nederland is de onzekerheid officieel erkend. De Gezondheidsraad schreef in zijn advies van juni 2026 dat hij geen uitspraak kan doen over het aantal mensen dat spijt heeft van hormoonbehandelingen, omdat daarover te weinig gegevens beschikbaar zijn.

De eerlijke samenvatting is dus: spijt die bij klinieken bekend wordt, is zeldzaam. Hoeveel spijt en detransitie er daarbuiten bestaat, is onbekend. Wie zegt dat het 'minder dan 1 procent' is, zegt meer dan de data kunnen dragen. Wie zegt dat het 'massaal' gebeurt, ook.

Waarom mensen stoppen of terugkeren

Over de redenen weten we vooral iets uit enquêtes onder mensen die zichzelf als detransitioner aanmelden. Dat zijn geen representatieve steekproeven: de deelnemers zijn online geworven, vaak via lotgenotengroepen. Ze laten wel zien welke ervaringen bestaan, niet hoe vaak ze voorkomen.

Vandenbussche (2021) ondervroeg 237 detransitioners, voor 92 procent geboren als meisje, ongeveer de helft uit de Verenigde Staten en een derde uit Europa. In de studie van Littman (2021) was ongeveer twee derde van de honderd deelnemers geboren als meisje. Uit deze en vergelijkbare onderzoeken komt een gemengd beeld naar voren:

  • het inzicht dat de genderdysforie samenhing met iets anders, zoals trauma, psychische problemen of moeite met de eigen seksuele geaardheid;
  • een veranderd gevoel over de eigen identiteit, soms geleidelijk en zonder duidelijke aanleiding;
  • zorgen over de gezondheid of lichamelijke klachten door de behandeling;
  • de ervaring dat de transitie de dysforie of de psychische klachten niet verminderde;
  • druk van buitenaf: discriminatie, afwijzing door familie of partner, problemen op het werk.

Dat laatste punt verklaart waarom sommige mensen later opnieuw transitioneren. Stoppen betekent niet altijd dat de eerdere keuze verkeerd voelde. Omgekeerd betekent doorgaan niet altijd dat iemand tevreden is: wie een operatie achter de rug heeft, kan weinig anders dan doorgaan met hormonen. De groep die in de enquêtes aangeeft dat onderliggende problemen bij de intake onvoldoende zijn onderzocht, raakt aan de vraag hoe de diagnostische fase is ingericht. Daarover lees je meer op de pagina Diagnostiek.

De weg terug: wat kan lichamelijk wel en niet?

Hoe ver je terug kunt, hangt af van hoe ver je bent gegaan. Elke stap in de molen maakt de weg terug langer. In grote lijnen:

  • Sociale en juridische stappen zijn in principe terug te draaien. Dat vraagt vooral moed en administratie: opnieuw uitleg geven aan je omgeving, documenten opnieuw laten aanpassen.
  • Stoppen met hormonen draait een deel van de effecten terug, zoals vetverdeling en spiermassa. Andere effecten blijven. Een door testosteron verlaagde stem en toegenomen beharing verdwijnen niet vanzelf. Borstgroei door oestrogeen blijft grotendeels bestaan.
  • Operaties zijn niet ongedaan te maken. Na een borstverwijdering is alleen een reconstructie mogelijk. Na het verwijderen van eierstokken of testikels maakt je lichaam zelf geen geslachtshormonen meer aan en ben je blijvend onvruchtbaar.

Dat laatste heeft een praktische consequentie die vaak wordt vergeten: wie na een gonadectomie detransitioneert, blijft levenslang afhankelijk van hormonen. Alleen zijn het dan de hormonen van het geboortegeslacht, die het lichaam niet meer zelf maakt. Stop daarom nooit op eigen houtje, maar overleg met een arts. Per effect uitgewerkt vind je dit in Hormoonbehandeling: wat is omkeerbaar en wat blijft, en wat het voor een kinderwens betekent in Vruchtbaarheid en transitie.

Naast het lichamelijke is er de emotionele kant. Mensen in de enquêtes beschrijven rouw om wat niet meer terugkomt, schaamte tegenover hun omgeving en het verlies van de gemeenschap waarin ze zich thuis voelden. Sommigen kijken juist zonder wrok terug en zien de transitie als een periode die nodig was om te komen waar ze nu zijn. Meer over blijvende lichamelijke gevolgen staat op transitieschade.nl.

Welke zorg is er voor wie wil stoppen?

Hier wringt het. Vandenbussche vond dat de meeste detransitioners behoefte hadden aan hulp bij psychische problemen (65 procent), aan alternatieven voor medische transitie (65 procent) en aan hulp bij het omgaan met spijt (60 procent). De helft had behoefte aan medische informatie over het stoppen of aanpassen van hormonen. Tegelijk zei 51 procent zich tijdens de detransitie niet gesteund te voelen, en de meesten hadden moeite om passende hulp te vinden. De grootste behoefte was contact met lotgenoten: 87 procent wilde ervaringen van anderen horen.

In Engeland heeft de Cass Review aanbevolen dat de gezondheidszorg voorziet in zorg voor mensen die willen detransitioneren, en daarbij erkend dat zij misschien niet terug willen naar de kliniek die hen eerder behandelde. NHS England werkt aan een apart zorgpad. Officiële richtlijnen voor deze zorg bestonden er tot dan toe niet.

In Nederland is er, voor zover wij konden nagaan, geen apart landelijk zorgpad voor detransitie. In de Kwaliteitsstandaard Transgenderzorg Somatisch uit 2018 hebben wij het onderwerp niet als aparte zorgvraag teruggevonden. In de praktijk kom je daarom op de bestaande routes uit:

  • je huisarts, als eerste aanspreekpunt en voor een verwijzing;
  • de endocrinoloog of het gendercentrum dat je hormonen voorschrijft, voor een verantwoord afbouw- of omschakelschema;
  • een psycholoog of de ggz, voor begeleiding bij twijfel, spijt of de klachten die er al waren;
  • lotgenotencontact, omdat herkenning voor veel mensen het zwaarst weegt.

Je bent niet verplicht om terug te gaan naar het team dat je heeft behandeld als dat een drempel is. Wel is het voor de zorg als geheel waardevol als behandelaars weten dat je bent gestopt. Als, zoals in de enquête van Littman, de meeste detransitioners dat niet melden, blijven de cijfers waar ouders en jongeren op vertrouwen onvolledig.

Wat je met deze kennis kunt doen

Sta je aan het begin van het traject? Vraag je behandelaar niet alleen naar het spijtcijfer, maar ook waar dat cijfer op is gebaseerd: welke groep, welke behandeling, hoe lang gevolgd en hoeveel mensen uit beeld zijn geraakt. Vraag ook wat er gebeurt als je halverwege wilt stoppen, en wie je dan begeleidt. Een goed antwoord op die vraag hoort bij geïnformeerde toestemming.

Twijfel je midden in het traject? Twijfel is geen falen en geen bewijs dat je 'niet echt trans' bent. Het is informatie. Maak het bespreekbaar voordat je de volgende stap zet, zeker als die stap een operatie is. Uitstel is omkeerbaar, een operatie niet.

Ben je ouder? Laat je kind weten dat stilstaan of terugkomen op een besluit altijd mag, zonder gezichtsverlies. Jongeren die publiekelijk een nieuwe identiteit hebben aangenomen, ervaren terugkeren soms als een nederlaag. Hoe kleiner je die drempel maakt, hoe vrijer de keuze blijft.

Wil je stoppen? Doe het met medische begeleiding, zoek lotgenoten op en geef jezelf tijd. En onthoud bij alles wat je over dit onderwerp leest: het ontbreken van bewijs voor veel spijt is niet hetzelfde als bewijs dat spijt zelden voorkomt. Meer achtergrond vind je in het overzicht van alle artikelen en in Nazorg na transitie: levenslange hormonen, controles en wie je volgt.

Bronnen

  1. Wiepjes, C.M. et al. (2018). The Amsterdam Cohort of Gender Dysphoria Study (1972-2015): Trends in Prevalence, Treatment, and Regrets. The Journal of Sexual Medicine, 15(4).
  2. Littman, L. (2021). Individuals Treated for Gender Dysphoria with Medical and/or Surgical Transition Who Subsequently Detransitioned: A Survey of 100 Detransitioners. Archives of Sexual Behavior, 50.
  3. Vandenbussche, E. (2021). Detransition-Related Needs and Support: A Cross-Sectional Online Survey. Journal of Homosexuality.
  4. Roberts, C.M. et al. (2022). Continuation of Gender-affirming Hormones Among Transgender Adolescents and Adults. The Journal of Clinical Endocrinology & Metabolism, 107(9).
  5. Van der Loos, M.A.T.C. et al. (2022). Continuation of gender-affirming hormones in transgender people starting puberty suppression in adolescence: a cohort study in the Netherlands. The Lancet Child & Adolescent Health, 6(12).
  6. Hall, R., Mitchell, L. en Sachdeva, J. (2021). Access to care and frequency of detransition among a cohort discharged by a UK national adult gender identity clinic: retrospective case-note review. BJPsych Open, 7(6).
  7. Cass, H. (2024). Independent Review of Gender Identity Services for Children and Young People: Final Report. NHS England.
  8. Gezondheidsraad (2026). Advies Transgenderzorg voor jongeren, met achtergronddocument Stoppen, spijt en detransitie. Den Haag: Gezondheidsraad.

Redactie Gendermolen.nl

Onafhankelijke redactie die het traject van de transgenderzorg stap voor stap uitlegt, met controleerbare bronnen. Informatief, geen medisch advies. Laatst bijgewerkt op 8 oktober 2026.

Meer over ons →

Veelgestelde vragen

Korte antwoorden op de vragen die het vaakst terugkomen.

Meer over Uit de molen