De diagnostische fase: hoe wordt genderdysforie vastgesteld?
Geen behandeling zonder diagnose. Welke DSM-5- en ICD-11-criteria gelden, wie de diagnose stelt, wat er in de gesprekken gebeurt en wat de uitkomst wel en niet zegt.

Voordat er in Nederland een recept voor puberteitsremmers of hormonen wordt uitgeschreven, moet er een diagnose liggen. De diagnostische fase is de plek in de molen waar die diagnose wordt gesteld. Genderdysforie vaststellen gebeurt niet met een bloedtest of een scan, maar in gesprekken. Dit artikel laat zien welke criteria daarbij gelden, wie de diagnose stelt, wat er in die gesprekken gebeurt en wat de uitkomst wel en niet betekent.
Waar zit de diagnostische fase in het traject?
De Gezondheidsraad beschrijft in het advies Transgenderzorg voor jongeren (2026) drie stappen die aan een somatische behandeling voorafgaan: een verkennende fase, een diagnostische fase en de indicatiestelling. In de verkennende fase, vaak bij een psycholoog in de eigen regio, gaat het breed over identiteitsontwikkeling, genderbeleving, psychologische kenmerken en hoe het thuis en op school gaat. Zijn er daarna aanwijzingen voor genderdysforie en is er een wens tot lichamelijke behandeling, dan volgt verwijzing naar een gespecialiseerd gendercentrum om de diagnostiek af te ronden. Hoe je daar terechtkomt lees je in van huisarts tot genderpoli.
Volgens de Gezondheidsraad vinden er in de diagnostische fase geen medische interventies plaats. Er worden vooral gesprekken gevoerd met een GZ-psycholoog of psychiater, om de diagnose genderdysforie al dan niet vast te stellen. Voor minderjarigen waren er in 2026 vier centra met somatische specialistische transgenderzorg: Amsterdam UMC, Radboudumc in Nijmegen, UMCG in Groningen en het Zaans Medisch Centrum, dat nauw met Amsterdam UMC samenwerkt.
De Kwaliteitsstandaard Transgenderzorg Somatisch (2018), de Nederlandse richtlijn voor deze zorg, maakt de diagnose tot de eerste van zes voorwaarden voor een indicatie. Die voorwaarden zijn:
- genderincongruentie is gediagnosticeerd;
- de draagkracht van de persoon is voldoende;
- de persoon wenst de behandeling en de behandelaar acht die wenselijk;
- er zijn geen medische of psychische contra-indicaties, of die zijn met maatregelen te beheersen;
- er is informed consent;
- er is voldaan aan de aanvullende voorwaarden per behandeling, zoals leeftijd of puberteitsstadium.
De diagnose is dus de poort. Zonder diagnose geen indicatie, zonder indicatie geen behandeling. Daarom is het de moeite waard om precies te weten waar die diagnose op rust.
De DSM-5-criteria voor genderdysforie bij adolescenten en volwassenen
In Nederland wordt gewerkt met de DSM, het handboek van de Amerikaanse psychiatrische vereniging. De Gezondheidsraad stelt het zonder omweg: om in aanmerking te komen voor somatische behandeling moet zijn voldaan aan de DSM-5-classificatie genderdysforie. De huidige editie is de DSM-5-TR uit 2022. De classificatie heeft twee onderdelen.
Het eerste onderdeel is een duidelijke incongruentie tussen het ervaren of geuite gender en het bij geboorte toegewezen gender, die minstens zes maanden bestaat en blijkt uit minstens twee van de volgende zes kenmerken:
- een duidelijke incongruentie tussen het ervaren gender en de primaire of secundaire geslachtskenmerken (bij jonge adolescenten: de geslachtskenmerken die nog verwacht worden);
- een sterk verlangen om van de eigen geslachtskenmerken af te zijn, of bij jonge adolescenten om de ontwikkeling ervan te voorkomen;
- een sterk verlangen naar de geslachtskenmerken van het andere gender;
- een sterk verlangen om van het andere gender te zijn, of van een alternatief gender dat verschilt van het toegewezen gender;
- een sterk verlangen om als het andere gender behandeld te worden;
- de sterke overtuiging de typische gevoelens en reacties van het andere gender te hebben.
Het tweede onderdeel is dat de toestand samengaat met klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale leven, op school of werk of op andere belangrijke terreinen. Zonder lijden is er volgens de DSM geen genderdysforie. Wie zich niet thuis voelt in de eigen sekse maar daar niet onder lijdt, voldoet niet aan de classificatie.
Twee dingen vallen op. De drempel is twee van de zes kenmerken, en geen enkel kenmerk is verplicht. En alle zes gaan over verlangens, overtuigingen en beleving. Er zit geen lichamelijk gegeven tussen dat een behandelaar los van het verhaal van de persoon kan controleren. Dat is in de psychiatrie niet ongewoon, maar het betekent wel dat de kwaliteit van de diagnose samenvalt met de kwaliteit van het gesprek.
Genderdysforie bij kinderen: zwaardere criteria, andere vragen
Voor kinderen heeft de DSM-5-TR een aparte classificatie met een hogere drempel. Ook hier geldt een duur van minstens zes maanden, maar er moeten minstens zes van acht kenmerken aanwezig zijn. Het eerste kenmerk is verplicht: een sterk verlangen om van het andere gender te zijn, of de stellige uitspraak dat het kind dat is. De overige kenmerken gaan over een sterke voorkeur voor kleding, rollen in fantasiespel, speelgoed, spelletjes en speelkameraadjes van het andere gender, het afwijzen van speelgoed en activiteiten die bij het eigen geslacht horen, een sterke afkeer van de eigen anatomie en een sterk verlangen naar de geslachtskenmerken van het ervaren gender. Ook bij kinderen is lijdensdruk of beperking in het functioneren vereist.
Voor de praktijk is vooral van belang wat de diagnose bij een jong kind niet in gang zet. De Kwaliteitsstandaard is daar duidelijk over: kinderen die nog niet in de puberteit zijn, worden niet behandeld met puberteitsremmers of hormonen. De standaard zegt ook dat er onvoldoende literatuur is over de uitkomsten van een sociale transitie voor de puberteit, en adviseert zulke beslissingen te nemen met hulp van een gespecialiseerde psycholoog, psychiater of orthopedagoog.
De achtergrond daarvan is dat genderdysforie op de kinderleeftijd niet altijd blijft. In oudere vervolgstudies, waaronder Nederlandse, hield de dysforie bij een groot deel van de kinderen niet aan tot in de adolescentie. Die studies zijn omstreden, onder meer vanwege de toen gebruikte criteria en de uitval van deelnemers, dus een hard percentage is niet te geven. Het is wel de reden dat de puberteit in de Nederlandse aanpak als toetsmoment geldt. Een van de voorwaarden voor puberteitsremmers in de Kwaliteitsstandaard is dat de genderincongruentie toenam of ontstond bij het begin van de puberteit. Meer over die aanpak en zijn geschiedenis vind je op dutchprotocol.nl.
ICD-11: genderincongruentie in plaats van genderdysforie
Naast de DSM bestaat de ICD, het classificatiesysteem van de Wereldgezondheidsorganisatie. In de ICD-11, die sinds 1 januari 2022 van kracht is, heet de diagnose genderincongruentie. Die staat niet meer in het hoofdstuk over psychische stoornissen, maar in een nieuw hoofdstuk over aandoeningen die met seksuele gezondheid samenhangen. De gedachte daarachter is dat een transgender identiteit op zichzelf geen psychische stoornis is, terwijl een diagnose nodig blijft om toegang tot zorg te houden.
De ICD-11 kent twee codes. HA60 is genderincongruentie in de adolescentie of volwassenheid: een duidelijke en aanhoudende incongruentie tussen het ervaren gender en het toegewezen geslacht, die niet voor het begin van de puberteit kan worden gesteld. HA61 is genderincongruentie in de kindertijd, bij kinderen voor de puberteit, waarbij de incongruentie ongeveer twee jaar moet hebben bestaan. De ICD-11 vermeldt uitdrukkelijk dat gendervariant gedrag en voorkeuren alleen geen grond zijn voor de diagnose.
Het belangrijkste verschil met de DSM is de lijdensdruk. In de DSM is lijden een vereiste, in de ICD-11 niet. De Kwaliteitsstandaard gebruikt het woord genderincongruentie en vraagt van diagnostici dat zij competent zijn in het gebruik van de DSM en of de ICD. In de dagelijkse praktijk lopen de termen daardoor door elkaar. Voor jou als patiënt of ouder is het nuttig om te vragen welke classificatie precies in het dossier staat en op grond waarvan.
Wat gebeurt er in de gesprekken?
De diagnostiek wordt volgens de Kwaliteitsstandaard uitgevoerd door een gespecialiseerde psycholoog, psychiater of orthopedagoog. Voor wie met kinderen en adolescenten werkt, stelt de standaard eisen: getraind in ontwikkelingspsychologie en psychopathologie van kinderen en adolescenten, in staat om psychische aandoeningen vast te stellen, in staat om genderincongruentie te onderscheiden van aandoeningen met vergelijkbare kenmerken, en in staat om een psychosociale beoordeling te doen van het begrip van de jongere en van de sociale omstandigheden.
Wat er inhoudelijk aan bod komt verschilt per aanbieder, maar de onderwerpen die de Gezondheidsraad voor de verkennende en diagnostische fase noemt geven een goed beeld:
- de bredere identiteitsontwikkeling en de ontwikkeling van de genderidentiteit: wanneer begon het, hoe verliep het, hoe stabiel is het;
- klachten die met de genderincongruentie samenhangen, zoals afkeer van het eigen lichaam;
- psychologische kenmerken, zoals zelfbeeld en manieren van omgaan met problemen;
- andere ontwikkelingsdomeinen, zoals sociaal-emotionele ontwikkeling en schoolprestaties;
- het gezin en de omgeving, waarbij het perspectief van de ouders structureel wordt meegenomen;
- psychische problemen die de lichaamsbeleving kunnen hebben beïnvloed, of die er los van staan.
Bij jongeren worden de ouders dus nadrukkelijk betrokken. De Gezondheidsraad schrijft dat ouders in Nederland een zeer belangrijke rol hebben in de indicatiestelling, en dat jongeren die onvoldoende steun van hun ouders ervaren vaak nog niet met een somatische behandeling starten en aanvullende hulp krijgen, bijvoorbeeld systeemtherapie.
Bij volwassenen legt de Kwaliteitsstandaard een ander accent. Binnen de diagnostische fase worden de ervaringsdeskundigheid van de persoon zelf en de professionele deskundigheid van de diagnosticus "in gelijkwaardigheid meegewogen". Wie elders al een diagnose kreeg van een gespecialiseerde psycholoog of psychiater, hoeft die in principe niet opnieuw te laten stellen. En wat draagkracht betreft gaat de standaard er in eerste instantie van uit dat die voldoende is. Hoe lang de fase duurt verschilt per aanbieder en per persoon.
Dat gelijkwaardige uitgangspunt is te verdedigen: niemand kent de eigen beleving beter dan de persoon zelf. Het maakt de diagnose wel afhankelijk van hoe de behandelaar het gesprek voert. Vraagt die door, of neemt die het verhaal over? Over dat verschil gaat het artikel over de affirmatieve of exploratieve intake.
Differentiaaldiagnostiek: wat kan er nog meer spelen?
Differentiaaldiagnostiek is de vraag of de klachten ook, of beter, door iets anders te verklaren zijn. De Kwaliteitsstandaard noemt zelf een voorbeeld: body dysmorphic disorder, een stoornis waarbij iemand gepreoccupeerd is met een vermeend gebrek aan het eigen lichaam. Daarnaast vraagt de standaard om te beoordelen of bijkomende problemen op psychologisch, medisch of sociaal vlak onder controle zijn voordat een jongere met puberteitsremmers begint.
Die bijkomende problemen komen vaak voor. De Gezondheidsraad stelt vast dat het aantal aanmeldingen van jongeren de laatste jaren sterk is gestegen, met meer geboren meisjes en meer jongeren die pas op latere leeftijd genderdysforie ervaren, en dat in deze groep vaker sprake is van een non-binaire identiteit en van bijkomende psychosociale problematiek, zoals autisme of ADHD. Over de samenloop met autisme lees je meer op genderautisme.nl.
Het lastige is dat de richting van het verband niet vanzelf duidelijk is. Somberheid, angst of sociale terugtrekking kunnen het gevolg zijn van genderdysforie. Ze kunnen er ook los van staan, of juist bijdragen aan het gevoel dat het eigen lichaam het probleem is. De Britse Cass Review beschreef in het tussenrapport van 2022 het risico dat andere zorgvragen uit beeld raken zodra een jongere zich met genderproblematiek meldt, en noemde dat diagnostic overshadowing. In het eindrapport (2024) is de aanbeveling dat elke jongere een holistische beoordeling krijgt, met screening op neurologische ontwikkelingsstoornissen zoals autisme en een beoordeling van de psychische gezondheid.
De Gezondheidsraad vindt de Nederlandse zorg zorgvuldig ingericht, maar adviseert om de diagnostische fase en de indicatiestelling in de herziene Kwaliteitsstandaard uitgebreider vast te leggen en daarbij te expliciteren dat er aandacht moet blijven voor bijkomende gezondheidsproblemen. Dat advies zegt iets: op dit moment beschrijft de standaard wel wie de diagnostiek doet, maar nauwelijks hoe.
Van diagnose naar indicatie: wat de diagnose wel en niet zegt
Een diagnose genderdysforie stelt vast dat iemand aan een classificatie voldoet. Ze zegt niet welke behandeling past, en ook niet hoe het gevoel zich over tien jaar ontwikkelt. De stap van diagnose naar behandeling is de indicatiestelling, die in een multidisciplinair overleg plaatsvindt. Bij adolescenten bestaat dat overleg in beginsel uit een gespecialiseerde psycholoog, psychiater of orthopedagoog en een kinderarts of kinderendocrinoloog.
Voor puberteitsremmers moet de gedragswetenschapper volgens de Kwaliteitsstandaard hebben bevestigd dat er sprake is van een langdurig en intens patroon van gendernonconformiteit of genderincongruentie waaronder de jongere lijdt, dat de incongruentie toenam of ontstond bij het begin van de puberteit, dat nevenproblemen onder controle zijn en dat de jongere de mentale capaciteit heeft om toestemming te geven. Een arts moet bevestigen dat de puberteit is begonnen. Over die toestemming gaat het artikel over geïnformeerde toestemming bij minderjarigen.
Hier wordt de rode draad van deze site zichtbaar. Formeel is elke stap een nieuw besluit. In de praktijk gaat volgens de Gezondheidsraad ruim 90 procent van de jongeren die met puberteitsremmers worden behandeld daarna door met hormonen. De raad leest dat als een aanwijzing dat de selectie aan de voorkant goed werkt. Je kunt er ook uit afleiden dat het zwaartepunt van de hele beslissing in de diagnostische fase ligt: wie daar doorheen komt, stapt zelden nog uit. Beide lezingen maken dezelfde conclusie onvermijdelijk. Dit is de fase waarin je de tijd moet nemen. Wat daarna komt staat op de pagina over puberteitsremmers en hormonen.
Er speelt nog iets mee. Veel mensen bereiken de diagnostische fase pas na een lange wachttijd, waarin de overtuiging vaak al vaster is geworden en soms al een sociale transitie heeft plaatsgevonden. De Kwaliteitsstandaard zegt dat de tijd waarin iemand al in het gewenste geslacht leeft moet worden meegewogen als waarborg voor een doordachte beslissing. Dat is begrijpelijk, maar het betekent ook dat wat er in de wachttijd gebeurt de uitkomst van de diagnostiek mede bepaalt. Zie daarvoor wat er gebeurt tijdens het wachten.
Wat kun je met deze kennis doen?
De diagnostische fase is geen formaliteit en hoort dat ook niet te zijn. Je mag er iets van verwachten en je mag er vragen bij stellen. Een paar vragen die helpen:
- Welke classificatie wordt gebruikt, en aan welke kenmerken voldoe ik of voldoet mijn kind volgens de behandelaar?
- Is er gekeken naar andere verklaringen en naar bijkomende problemen, zoals autisme, ADHD, angst, somberheid of trauma? Hoe is dat gedaan?
- Wat is het behandelplan voor die bijkomende problemen, en moet dat eerst lopen of kan het tegelijk?
- Wat zou voor de behandelaar een reden zijn om geen indicatie te stellen, of om te wachten?
- Welke opties zijn er naast lichamelijke behandeling, en wat gebeurt er als we nu niets doen?
- Kunnen we een tweede gesprek krijgen, of een second opinion, voordat de indicatie wordt gesteld?
Een behandelaar die deze vragen serieus neemt, laat zien dat de diagnostiek meer is dan een poortje. Wil je de stappen eromheen op een rij zien, kijk dan op de hubpagina over intake en diagnostiek of in het overzicht van alle artikelen. Dit artikel is geen medisch advies. Het is bedoeld om je te helpen het gesprek met je behandelaar beter te voeren.
Bronnen
- American Psychiatric Association (2022). Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, Fifth Edition, Text Revision (DSM-5-TR). American Psychiatric Association Publishing.
- World Health Organization (2019, van kracht sinds 2022). International Classification of Diseases, 11th Revision (ICD-11), codes HA60 en HA61. WHO.
- Kwaliteitsstandaard Transgenderzorg Somatisch (2018). Richtlijnendatabase, Federatie Medisch Specialisten.
- Gezondheidsraad (2026). Transgenderzorg voor jongeren. Advies nr. 2026/12, 30 juni 2026. Gezondheidsraad, Den Haag.
- Cass, H. (2022). Independent review of gender identity services for children and young people: Interim report. The Cass Review, in opdracht van NHS England.
- Cass, H. (2024). Independent review of gender identity services for children and young people: Final report. The Cass Review, in opdracht van NHS England.
- Coleman, E. e.a. (2022). Standards of Care for the Health of Transgender and Gender Diverse People, Version 8. International Journal of Transgender Health (WPATH).
Redactie Gendermolen.nl
Onafhankelijke redactie die het traject van de transgenderzorg stap voor stap uitlegt, met controleerbare bronnen. Informatief, geen medisch advies. Laatst bijgewerkt op 8 oktober 2026.
Veelgestelde vragen
Korte antwoorden op de vragen die het vaakst terugkomen.
Meer over Diagnostiek

Affirmatief of exploratief: twee manieren om de intake te voeren
De ene behandelaar bevestigt, de andere verkent. Wat het verschil is tussen een affirmatieve en een exploratieve intake, waar Nederland staat en waarom het ertoe doet.

Geïnformeerde toestemming bij minderjarigen: kan een tiener dit overzien?
De WGBO legt grenzen bij 12 en 16 jaar. Wat betekent dat voor puberteitsremmers en hormonen, wat zei de rechter in Bell v Tavistock en wat adviseren Cass en de Gezondheidsraad?
